vrijdag 4 januari 2019

Knal

Als meneer Doorzon op een van de laatste dagen van het jaar op zijn fiets door de stad rijdt, hoort hij ineens een oorverdovende knal achter zich. In het huis dat hij zojuist is gepasseerd ziet hij nog net een raam dichtgeschoven worden.
Van schrik roept meneer Doorzon iets wat niet voor herhaling vatbaar is.
Meneer Doorzon roept vaak dingen want hij schrikt nogal snel.

Eigenlijk zou je verhaal moeten halen bij de ouders van zo’n jongen, denkt hij, maar hij kan de reactie zelf verzinnen.
‘Ach, het viel toch wel mee?’ ‘Het is nu eenmaal december.’ ‘U weet niet meer hoe het is om jong te zijn.’
En dan gaat hij twijfelen. Was die knal echt zo oorverdovend, of maakt hij zelf van elk plotseling geluid een persoonlijke aanslag op zijn leven?

Hij vertelt het niet aan Eend. Eend maakt zich toch al zorgen over ongelukken met vuurwerk. Ze leest al twee dagen van tevoren het weerbericht in de hoop dat het voor de jaarwisseling stortregen zal voorspellen.

Maar meneer Doorzon moet toegeven dat hij, ondanks de persoonlijke aanslagen, vuurwerk best leuk vindt.
Als kind, toen de knallen nog een gevoel van prettige opwinding opriepen, stak hij met zijn broertje aardig wat af. Toegegeven, het vuurwerk van toen produceerde niet bijzonder indrukwekkende plofgeluiden, zeker in vergelijking met het haast militaire krakeel van tegenwoordig. Maar het gevoel staat hem nog bij.
Het gevoel van anarchie waarmee je een astronaut aanstak en achteloos achter je op straat liet vallen.
De nabijheid van gevaar als een gillende keukenmeid een bocht maakte en recht op je af kwam.
Of het idee dat je de hele wereld een goedgeplaatste duw gaf wanneer je een conservenblik metershoog de lucht in liet vliegen. Zo’n ‘Big Bang’ rechtop op een putdeksel zetten, en hem aansteken en het blik er snel overheen zetten zonder hem om te gooien, daar was precisie voor nodig.

Later kwam zijn broertje, destijds al minder schrikachtig dan de kleine meneer Doorzon, met de eerste strijkers aanzetten. Even was er de uitdaging om die potlooddunne dingen rechtop aan te steken, en de voldoening toen het blik tot boven de dakrand vloog. Maar ze ontdekten al bij de tweede vlucht dat de bodem eruit was geslagen, en helaas bleken er thuis niet zoveel lege sperziebonenblikken meer te staan.

Afijn, denkt meneer Doorzon. Herinneringen zijn onbetrouwbaar, maar ik denk dat ik me aardig voor de geest kan halen hoe het was om zo oud te zijn als dat jongetje dat me een stuk vuurwerk toewierp.
In ieder geval beter dan dat zo’n jochie zich kan voorstellen hoe het is om een man van begin vijftig te zijn, wiens schrikachtigheid zijn behoefte om uit de band te springen soms in de weg zit.

Bij de jaarwisseling kijken meneer Doorzon en Eend van achter hun raam naar de vurige fonteinen in de lucht. In hun straat is nog weinig afgestoken, maar nu komt de Klusvader van de overkant met een doos ter grootte van een bierkrat aanzetten. Meneer Doorzon kijkt goedkeurend toe hoe hij het ding buiten bereik van de kastanjeboom neerzet voor hij hem aansteekt. De fonteinen overtreffen alles, en even ziet meneer Doorzon een beeld van zichzelf met die lont in zijn handen.
‘Mooi hè,’ zegt hij.
‘Prachtig,’ vindt Eend, ondanks haar zorgen.
‘Gelukkig nieuwjaar.’

dinsdag 13 november 2018

Vriend

Meneer Doorzon en Eend liggen al in bed als de telefoon gaat.
Het is de broer van meneer Doorzon. Hij heeft zojuist gehoord dat een jeugdvriend van hen beiden is overleden, al een half jaar terug. Het bericht kwam van de zus van de Jeugdvriend die het ook nog maar net wist.

Meneer Doorzon ligt nog een tijd na te denken. Hij had de Jeugdvriend al dertien jaar niet meer gezien. Achter de horizon verdwenen, zo gaat dat. Maar wat doe je met zo’n comfortabele uitleg als mensen achter de horizon opeens vroegtijdig aan hun eind komen? Als zelfs hun naaste familie een half jaar lang niet weet dat ze dood zijn?

In een oud fotoboek vindt meneer Doorzon nog een klassenfoto waar hij en de Jeugdvriend allebei opstaan. Zo verschillend als dag en nacht, behalve dat ze allebei buiten de veilige middenmoot vielen.
De kleine meneer Doorzon een slungel met een brilletje, een voorliefde voor lezen, en een afwerende blik die anderen arrogant vonden. De Jeugdvriend een opdondertje dat brutaal de wereld inkeek en gek op auto’s was, vooral van het merk waarin zijn vader reed.

Elke ochtend stond de Jeugdvriend op de stoep, wachtte geduldig terwijl de kleine meneer Doorzon op de piano zijn laatste toonladders oefende en liep dan met hem mee naar school, onderweg ieder kind de struiken in beukend dat het waagde de kleine meneer Doorzon te pesten, iets wat nogal eens nodig was.

Later gingen ze naar andere scholen. Meneer Doorzon ging studeren en ontdekte een wereld waar niet zoveel pestkoppen de struiken in gebeukt hoefden te worden.
Af en toe was hij, met zijn hoofd vol gewichtige kennis, terug in de oude wereld. Daar was de Jeugdvriend nu een man met gouden handjes, die alles kon repareren en dat ook voor iedereen deed. Hun verhalen en plannen liepen ver uit elkaar, en de banden die de Jeugdvriend met zijn ongeremde hulpvaardigheid smeedde benauwden meneer Doorzon soms. Maar ze konden altijd nog samen een biertje drinken, ook al merkte meneer Doorzon dat hij er steeds minder met zijn hoofd bij was.

Meneer Doorzon weet nog dat hij aarzelde toen de Jeugdvriend hem als getuige voor zijn huwelijk vroeg. Misschien had hij al zijn twijfels over dat huwelijk. Of vroeg hij zich af of hij, met maar een half hoofd erbij, wel de meest geschikte getuige was. Maar hij zei ja. De loyaliteit mocht niet van één kant komen.

Het huwelijk begon inderdaad snel scheuren te vertonen, en de biertjes gingen een nog grotere rol in het leven van de Jeugdvriend spelen. De loyaliteit van meneer Doorzon hield niet lang stand. Daar schaamt hij zich nu over.
Van anderen hoorde meneer Doorzon hoe het met de Jeugdvriend langzaam bergaf ging. Hij trok zich dagen terug in zijn garage, met kratten bier en auto's van het merk waarin zijn vader had gereden. Hij werd ontslagen. Mensen die hij hielp ontdekten steeds vaker dat ze daar na afloop veel geld bij ingeschoten waren. Mensen die hem probeerden te helpen kregen geen grip meer op hem. Van een laatste foto, op een social media-account met maar twee vrienden, kijkt hij meneer Doorzon aan met de priemende en tegelijk lege blik van een doorgewinterde alcoholist.

Het is moeilijk om in die wanhopige man nog het stoere beschermengeltje te zien dat ooit de kleine meneer Doorzon naar school escorteerde. Soms zijn het de beschermengeltjes die je erdoorheen slepen, denkt meneer Doorzon. Waardoor ik hier nu zit, redelijk gezond van lijf en geest, met Eend, en met de bloemen en vogels in onze eigen tuin.
Terwijl de beschermengel zelf meer hulp nodig had dan hij anderen kon geven. En uiteindelijk iedereen kwijtraakte toen hij niemand meer kon helpen.

‘Ik denk niet dat iemand er iets aan had kunnen doen,’ zegt de broer van meneer Doorzon.
Ergens gelooft meneer Doorzon dat ook. Maar toch.

vrijdag 5 oktober 2018

Mot

Meneer Doorzon voert strijd. Een bittere strijd waarin geen gevangenen worden gemaakt. Het strijdtoneel is de boom in hun voortuin.

Het is een fraaie kastanje met een bladerkroon die verkoeling geeft op hete dagen. Vaak zitten er mezen in, soms boomkruipers of vinken, een Vlaamse gaai of een specht. Laatst toen hij wakker lag hoorde meneer Doorzon het klagende geluid van een bosuil. De boom heeft meneer Doorzon en Eend flink op kosten gejaagd toen zijn wortels het riool vonden, maar toch is hij hun dierbaar.

Wat helaas ook in de boom zit is de mot. De rupsjes van de mot vreten de bladeren aan tot ze dor en bruin zijn. Soms valt het mee, maar andere jaren lijkt het begin augustus al herfst. De komst van nieuw blad in het voorjaar leidt steevast tot gemengde gevoelens bij meneer Doorzon en Eend, en een zwerm enthousiaste motten rondom de boom. Eend staat af en toe de mezen aan te moedigen, maar zelfs die kunnen er niet tegenop eten.

‘Je kunt er niets aan doen,’ zegt een man verderop in de straat. Zijn zoon is hovenier en die heeft hem dat verteld. ‘Het blad snel opruimen, dat is het wel zo’n beetje.’
De Vader van de Hovenier heeft ook een kastanje in zijn voortuin die net zo bruin kleurt, maar het kan hem niet zoveel schelen. ‘Ik ben kleurenblind,’ grijnst hij.

Meneer Doorzon is niet kleurenblind en het kan hem wel schelen. Vooral nu Eend en hij de laatste tijd steeds vaker het geluid van gezaag horen.
‘Dat was de boom op de hoek,’ zegt Eend dan treurig. ‘Die stond daar al toen wij nog niet geboren waren, en dan is hij binnen een paar uur opeens weg.’
Dat is het vooral, denkt meneer Doorzon. Dat gevoel. Dat die kastanjeboom er nog steeds staat als wij er niet meer zijn. Als er tenminste niet een gek met een zaag langs komt.

Dus heeft hij de mot de oorlog verklaard. Hij heeft een speciale Feromonenval gekocht. Dat blijkt een plastic bak te zijn waar zeepsop in moet, met een propje erboven dat naar hitsige vrouwtjesmotten schijnt te ruiken.
‘Er zitten er al twaalf in,’ kan hij melden als de speciale Feromonenval een kwartiertje hangt.
‘Goed zo, jongen,’ zegt Eend.

Af en toe storten de motten zich zo massaal op de vermeende vrouwtjes dat meneer Doorzon het zeepsop dagelijks moet vervangen. Zelfs de Vader van de Hovenier volgt de ontwikkelingen met belangstelling, hoewel hij niet tot aankoop van een speciale Feromonenval voor zijn eigen kastanje is te verleiden.

Toch ziet de boom er in augustus alweer herfstig uit.
‘Ik denk dat ik wat te laat ben begonnen,’ zegt meneer Doorzon tegen Eend. ‘Ze zeggen op internet dat je de eerste generatie al in april moet afvangen.’
Het jaar erop hangt hij zijn speciale Feromonenval eerder op. Het is prettig om in ieder geval iets te doen.

Maar na regelmatige observatie blijkt dat zijn boom ook dit jaar niet groener blijft dan die van de Vader van de Hovenier. Kan het zijn dat hij met zijn speciale Feromonenval de motten juist hun kant op lokt?
Misschien moet hij het volgend jaar anders aanpakken.

‘Ik denk dat ik een soort boomknuffelaar wordt,’ zegt hij.
‘Nou, ga jij onze boom dan nog maar een knuffel geven,’ zegt Eend.
En meneer Doorzon gaat weer naar de voortuin, waar bruine bladeren op de grond liggen en een zwarte brij van verdronken motten in de speciale Feromonenval ronddrijft.
Hij mag dan een boomknuffelaar zijn, in deze strijd worden geen gevangenen gemaakt.

donderdag 20 september 2018

Kriebel

Als meneer Doorzon en Eend op vakantie zijn willen ze graag rust en natuur om zich heen.

Meneer Doorzon heeft er wel aan moeten wennen. Af en toe voelt hij het nog kriebelen: de aandrang om de bruisende stad op te zoeken. 
Het is meer een oude gewoonte die weigert het loodje te leggen dan een echte behoefte. En na een uurtje is hij ook wel weer klaar met de straatmuzikanten, de opgewekte jongmensen met enquêtes en folders, en de volgepakte eettentjes waar hippe lieden zich tegoed doen aan poké bowls en veganistische tosti’s. 

Het is dus niet vreemd dat we hen deze zomer vinden aan de westkust van Schotland. Waar alles fonkelgroen is en de fuchsia’s en rododendrons voorhistorische afmetingen hebben, omdat het er nu eenmaal veel regent. 
Heel anders dan thuis, weten ze, daar blakert de zon momenteel op hun tuin. Dat baart meneer Doorzon wel zorgen en hij heeft de buurman op het hart gedrukt om goed op te letten en veel te sproeien. De buurman, die over mensenkennis beschikt, stuurde zojuist nog een geruststellende foto van de grote zonnebloem die in bloei staat.

Maar zodra ze op de boot stappen is meneer Doorzon de tuin vergeten. Ze zitten op het bovendek en overal zwemmen zeehonden. Meneer Doorzon moet zichzelf dwingen om af en toe ook lángs zijn camera te kijken in plaats van alleen erdoorheen.

Het onbewoonde eiland waar ze aan land gaan is minder onbewoond dan gedacht. Net na hun bootje is een grotere boot aangemeerd en er zijn nogal wat mensen op zoek naar de vogels die hier broeden.

Ze zoeken de kant van het eiland op waar niemand anders heen gaat. Er staan wat ruïnes van gebouwtjes. Verder niets. Geen vogel te zien. Er is hier echt alleen maar rust. En de wetenschap dat elders zwermen zeekoeten, alken, stormvogels en papegaaiduikers rondvliegen.
Al snel krijgt meneer Doorzon last van zijn kriebel. Vreemd om hier te zitten, denkt hij, zo ver van het drukke leven, in de greep van hetzelfde gevoel dat tieners in hippe eettentjes voortdurend naar hun mobiele telefoon doet grijpen.

Uiteindelijk lopen ze toch over het drassige gras naar de plek waar de meeste mensen zijn. En de papegaaiduikers.
‘Ach gut,’ zegt Eend.

Sinds meneer Doorzon Eend kent heeft hij een meer dan gemiddelde belangstelling voor watervogels, maar deze papegaaiduikers zijn wel erg schattig. Met hun felgekleurde snavels en de plooien rond hun ogen hebben ze iets van een groep peinzende clowns. Ze paraderen rond en fladderen met hun armetierige vleugeltjes. Uit de holen waar ze zich in laten glijden klinkt af en toe een mopperig geknor.

Meneer Doorzon en Eend zitten anderhalf uur lang bij de rondstappende vogels alsof er verder op de wereld niets gebeurt. 
Een keer kijkt meneer Doorzon nog om zich heen. In de verte verkennen een paar mensen de rest van het eiland, en even kriebelt het.

Maar dan komt er alweer een papegaaiduiker aangevlogen met een rij visjes keurig gerangschikt in zijn snavel. En weet meneer Doorzon dat er geen enkele reden is om ergens anders heen te gaan.

zondag 8 juli 2018

Hond

Als meneer Doorzon thuiskomt ruikt hij het al. Nog voor hij zijn veters heeft losgemaakt.
Poep onder zijn schoen.

Even voelt hij zich zo’n figuurtje in een slapstickfilm dat net over een bananenschil is uitgegleden. Of een taart in zijn gezicht heeft gekregen.

Persoonlijk heeft meneer Doorzon liever een smakelijke slagroomtaart in zijn gezicht dan deze smurrie onder zijn zolen. Het zit zelfs tegen de zijkant van zijn schoen aan.
Hij vervloekt zijn eigen dromerigheid. Hoe kan hij zoiets enorms gemist hebben?

Honden. Haast iedereen die meneer Doorzon op straat tegenkomt heeft er één bij zich. Het lijkt wel alsof niemand zich meer buiten zijn huis waagt zonder het gezelschap van een viervoetige beste vriend.
Ook de achterburen - aardige mensen, daar niet van - hebben een reusachtige hond, die luid en krampachtig blaft als ze thuiskomen. Net alsof hij niet kan poepen, zei Eend ooit. Dat vond meneer Doorzon een goede eigenschap voor een hond. De volgende dag maakte hij een luchtsprong toen hij in het gangetje tussen de tuinen liep en de hond aan de andere kant van de schutting ineens aansloeg.

Er wordt meneer Doorzon soms gevraagd of hij bang voor honden is. Dat vindt hij een moeilijke vraag.
Ben je bang voor ogengerol en tandengeblikker? Mogelijk.
Voor hard geblaf dat puntjes slijpt aan je zenuwen? Voor de weeë geur die in huizen en auto’s en in je neus blijft hangen? Voor plotselinge bewegingen en een onbedwingbare neiging om je persoonlijke ruimte binnen te dringen? Voor kwijlvlekken en pootafdrukken op je broek die net uit de was kwam? Misschien. Is weerzin ook een vorm van angst?

Meneer Doorzon had ooit een cartoon op de wc hangen van een enorme hond die zijn neus onder de rok van een verschrikte vrouw steekt, terwijl de eigenaar lacht: ‘Hij doet niets hoor!’ Soms ziet hij eigenaren tijdens een gesprek op straat achterover aan de lijn hangen om niet meegesleurd te worden. Of met zwakke stem hun Conan of Hector roepen die net in volle achtervolging is van een andere hond of passerende fietser.

'Hector,' snuift meneer Doorzon terwijl hij boven de wc zo goed mogelijk zijn schoen van drek ontdoet. 'Pff. Wie is er nou het baasje?'
Het hoofd van Eend verschijnt om de deur. Ze klakt plagerig met haar tong: ta-tok ta-tok ta-tok. Dat doet ze als hij een van zijn stokpaardjes aan het berijden is.
‘Zullen we straks buiten eten?’ vraagt ze.

Dat wil meneer Doorzon wel. In hun eigen bloementuin met stapelmuurtjes en schelpen en kruiden tegen de gevel. Na de vorst in het voorjaar stond alles er schraal bij en trotseerden alleen wat sneeuwklokjes die Eend had geplant de barre omstandigheden. Maar nu bloeien de zonnehoedjes, de valse salie en het kaasjeskruid, en zitten ze de hele avond in het groen.

Even slaat de hond-die-niet-kan-poepen aan. Dan is het weer stil en zijn ze alleen met de bijen en de vlinders.

vrijdag 25 mei 2018

Klus

Er ligt een berg klussen op Meneer Doorzon te wachten. Losse snoeren, kapotte lampen. Een plint die nog geplaatst moet worden. Deuren die over de drempel schuren.
Nog maar te zwijgen over de keuken waar Eend en hij het aanrechtblad ooit willen vervangen.

Een huis is een zwart gat waar tijd en energie in verdwijnt, denkt meneer Doorzon. Hij houdt niet van klussen. Achteraf kijken naar het resultaat kan hem enige voldoening geven, maar dan moet hij wel eerst zijn vingers hebben gemasseerd, een paar pleisters plakken en een wandelingetje maken om zijn hartslag weer wat te laten zakken.
Hij kijkt soms jaloers naar de overkant van de straat. Daar heeft de Klusvader in zijn achtertuin een tent opgericht om ook bij slecht weer zijn vrije tijd nuttig te besteden. Uren achtereen staat hij fluitend te zagen, slijpen, hameren.

Toen ze het huis net hadden heeft meneer Doorzon drie weken onafgebroken geklust. Hij herinnert het zich nog. Vooral de Slag om de Stopcontacten.

De stopcontacten waren zo oud als het huis zelf. Toen de stukadoor erbij in de buurt kwam hoorden ze een tik en maakte de stukadoor een sprongetje.
‘Die sloot kort,’ zei de stukadoor. ‘Ik zou ‘m vervangen.’
‘Ik vind dit eng,’ zei Eend.

Omdat Meneer Doorzon het iets minder eng vond kreeg hij de taak toebedeeld. Hij kocht stopcontacten en schakelaars. Hij ontcijferde stroomschema’s en schreef op een papiertje welke stop in de prehistorische stoppenkast bij welk stopcontact hoorde.
Daarna bleken de schroeven muurvast te zitten en zijn schroevendraaier slipte weg op de uitgesleten koppen. Meneer Doorzon probeerde het resultaat voor ogen te houden. Mooie witte stopcontacten, trotse geluiden van Eend. Maar zijn aandacht werd opgeslokt door die schroeven, de telkens afbrokkelende randen in de muur en draden waarvan de kleur nooit overeenkwam met het schema.

Toen hij meende klaar te zijn voor het monteren ontdekte hij dat stopcontacten die je ín de muur plaatst anders zijn dan stopcontacten die je erop plaatst, en dat de schroeven bij de ene een paar millimeter verder uit elkaar zitten.
Het was maar beter dat Eend op dat moment niet binnen gehoorsafstand was.

Sinds de stopcontacten heeft hij de stapel werk zien groeien. Waar hij moest beginnen werd steeds onduidelijker, het resultaat steeds ongrijpbaarder.

Maar vandaag is meneer Doorzon ineens bezig. De buitenlamp die een jaar in de kamer heeft gestaan ligt nu op het terras en meneer Doorzon staat op een trapje gaten in de buitenmuur te boren.
‘Ik zie wel hoe ver ik vandaag kom,’ zegt hij tegen Eend. Dat idee bevalt hem wel.

Tot zijn verrassing glijdt de boor moeiteloos in de stenen en passen de pluggen precies in de gaten. De stroomdraad blijft al bij de tweede poging goed zitten, en als hij de lamp vastschroeft blijkt hij de gaten ook nog eens precies op de goede plek te hebben geboord.
‘Het ziet er prachtig uit,’ zegt Eend. ‘En zonder één vloek of zucht.’

Meneer Doorzon kijkt verbaasd naar zijn eigen werk.
Er staat nog een keukenlamp op zijn lijstje, twee rookmelders, een aansluiting voor de regenton. Maar daar probeert hij even niet aan te denken.

zaterdag 5 mei 2018

Oranje

In de wijk wordt af en toe vergaderd en meneer Doorzon houdt niet zo van vergaderen. Hij voelt zich in gezelschap onzeker als hij niet weet wat zijn rol is, en dat weet je tijdens vergaderingen meestal niet.

Maar dit keer gaat het om een kinderfeest op Koningsdag. Dus vergaderen Eend en hij mee.
In de huiskamer van de Voorzitster zitten zes vrouwen, plus meneer Doorzon. Meneer Doorzon probeert niet te veel te zeggen, want als hij te veel praat zonder zijn rol te kennen kijken mensen hem nog wel eens vreemd aan.

Ze vorderen goed. Eend kijkt erg tevreden met de knutseltafel die ze toebedeeld krijgt. Meneer Doorzon heeft zijn hand opgestoken bij de vraag wie de koffie en thee wil zetten. De inkopen kwamen dan weer op het actielijstje van de Voorzitster. De Voorzitster heeft veel daadkracht maar wat minder talent voor delegeren.
Dan de optocht met versierde fietsen. De spelletjes: blikgooien, grabbelton. Meneer Doorzon moet denken aan de Koninginnedag toen hij zelf als kind meedeed. Op zijn step stond een grote, met oranje crêpepapier versierde boog, die iedere keer als de kleine meneer Doorzon vooruit probeerde te steppen vervaarlijk heen en weer zwaaide.

Steltlopen, doelschieten, sjoelen.

‘Potloodpoepen!’ roept meneer Doorzon ineens.

Het wordt stil. Zes paar ogen keken hem aan.
‘Eh… potloodpoepen,’ mompelt meneer Doorzon. ‘Zo’n touwtje om je middel met een potlood eraan, en dan moet je hurken en het in een fles laten zakken.’

De Voorzitster kijkt zuinig. ‘Ik weet niet of dat zo zal werken.’
Jawel, denkt meneer Doorzon. Dat werkte. Dat werkte zelfs zo goed dat een succesvol gepoept potlood het enige is dat ik me van die feesten herinner, behalve dan die zwabberende boog op mijn step.
Maar een paar anderen hebben het idee opgepakt. Ken ik van vroeger… Leuk… Foto’s van maken… Wij gebruikten spijkers… En misschien dat touwtje aan een riem zodat je niet steeds hoeft te knopen… Ik heb nog wel een oude riem… Ik heb een gaatjestang… Wie begeleidt het?

Een paar dagen later krijgt meneer Doorzon een paar grote bouten en drie riemen met extra gaatjes erin. Hij hoeft alleen nog maar touwtjes op maat te knippen. Dat vindt hij best.

Op de dag zelf staan vijftig kinderen klaar. Twee jongetjes met een trompet en een klarinet lopen voor de stoet uit en spelen Piet Hein, zijn naam is klein. Een van de fietsen heeft een grote oranje boog.

Eend zit aan de knutseltafel en helpt bij het versieren van papieren kronen en vlaggetjes. Meneer Doorzon zet koffie, haalt water en snijdt cake. Later rolt hij pannenkoeken met suiker voor een gestaag groeiende kinderschare.
‘Jij komt zeker gewoon even gedag zeggen,’ zegt hij tegen een jongetje dat verlekkerd naar de stapel kijkt. ‘Of over het weer praten? Nee? Oh, je wou een pannenkoek?’ Het jongetje glundert.
Een ander roept gretig: ‘Pannenkoek!’
‘Gaan we schelden?’ lacht meneer Doorzon. 
En hij rolt er nog één, terwijl verderop de laatste kinderen hurkend hun spijker in een fles proberen te poepen.

Knal

Als meneer Doorzon op een van de laatste dagen van het jaar op zijn fiets door de stad rijdt, hoort hij ineens een oorverdovende knal achter...