vrijdag 4 januari 2019

Knal

Als meneer Doorzon op een van de laatste dagen van het jaar op zijn fiets door de stad rijdt, hoort hij ineens een oorverdovende knal achter zich. In het huis dat hij zojuist is gepasseerd ziet hij nog net een raam dichtgeschoven worden.
Van schrik roept meneer Doorzon iets wat niet voor herhaling vatbaar is.
Meneer Doorzon roept vaak dingen want hij schrikt nogal snel.

Eigenlijk zou je verhaal moeten halen bij de ouders van zo’n jongen, denkt hij, maar hij kan de reactie zelf verzinnen.
‘Ach, het viel toch wel mee?’ ‘Het is nu eenmaal december.’ ‘U weet niet meer hoe het is om jong te zijn.’
En dan gaat hij twijfelen. Was die knal echt zo oorverdovend, of maakt hij zelf van elk plotseling geluid een persoonlijke aanslag op zijn leven?

Hij vertelt het niet aan Eend. Eend maakt zich toch al zorgen over ongelukken met vuurwerk. Ze leest al twee dagen van tevoren het weerbericht in de hoop dat het voor de jaarwisseling stortregen zal voorspellen.

Maar meneer Doorzon moet toegeven dat hij, ondanks de persoonlijke aanslagen, vuurwerk best leuk vindt.
Als kind, toen de knallen nog een gevoel van prettige opwinding opriepen, stak hij met zijn broertje aardig wat af. Toegegeven, het vuurwerk van toen produceerde niet bijzonder indrukwekkende plofgeluiden, zeker in vergelijking met het haast militaire krakeel van tegenwoordig. Maar het gevoel staat hem nog bij.
Het gevoel van anarchie waarmee je een astronaut aanstak en achteloos achter je op straat liet vallen.
De nabijheid van gevaar als een gillende keukenmeid een bocht maakte en recht op je af kwam.
Of het idee dat je de hele wereld een goedgeplaatste duw gaf wanneer je een conservenblik metershoog de lucht in liet vliegen. Zo’n ‘Big Bang’ rechtop op een putdeksel zetten, en hem aansteken en het blik er snel overheen zetten zonder hem om te gooien, daar was precisie voor nodig.

Later kwam zijn broertje, destijds al minder schrikachtig dan de kleine meneer Doorzon, met de eerste strijkers aanzetten. Even was er de uitdaging om die potlooddunne dingen rechtop aan te steken, en de voldoening toen het blik tot boven de dakrand vloog. Maar ze ontdekten al bij de tweede vlucht dat de bodem eruit was geslagen, en helaas bleken er thuis niet zoveel lege sperziebonenblikken meer te staan.

Afijn, denkt meneer Doorzon. Herinneringen zijn onbetrouwbaar, maar ik denk dat ik me aardig voor de geest kan halen hoe het was om zo oud te zijn als dat jongetje dat me een stuk vuurwerk toewierp.
In ieder geval beter dan dat zo’n jochie zich kan voorstellen hoe het is om een man van begin vijftig te zijn, wiens schrikachtigheid zijn behoefte om uit de band te springen soms in de weg zit.

Bij de jaarwisseling kijken meneer Doorzon en Eend van achter hun raam naar de vurige fonteinen in de lucht. In hun straat is nog weinig afgestoken, maar nu komt de Klusvader van de overkant met een doos ter grootte van een bierkrat aanzetten. Meneer Doorzon kijkt goedkeurend toe hoe hij het ding buiten bereik van de kastanjeboom neerzet voor hij hem aansteekt. De fonteinen overtreffen alles, en even ziet meneer Doorzon een beeld van zichzelf met die lont in zijn handen.
‘Mooi hè,’ zegt hij.
‘Prachtig,’ vindt Eend, ondanks haar zorgen.
‘Gelukkig nieuwjaar.’

Knal

Als meneer Doorzon op een van de laatste dagen van het jaar op zijn fiets door de stad rijdt, hoort hij ineens een oorverdovende knal achter...