zaterdag 28 oktober 2017

Vaart

Omdat hij een goede dag heeft en iets moet doen in de grote stad waar hij vroeger woonde, besluit Meneer Doorzon even door zijn oude wijk te lopen. Niet te lang, maar even.

Hij kwam daar wonen toen hij snel een huis nodig had, maar bleef er acht jaar. Het was een van de wijken die aan het oorlogsgeweld en de vernieuwingsdrang ontkomen waren, en de oude huizen, restaurantjes en tweedehands boekwinkels bevielen hem gelijk. Evenals de supermarkten om de hoek.
En alle activiteit. Mensen op straat, cafés, markten, concerten waar hij Eend mee naartoe nam, alles wat het leven met beweging vulde. En hoewel hij de laatste jaren nauwelijks nog in een café zat en de drukke markten meed, bleef hij lang in de stad zoeken toen hij met Eend op huizenjacht ging.

Nu stapt hij het station uit en blijft staan, knipperend met zijn ogen. Wat een verkeer. Trams rinkelen. Taxi’s drukken zich tussen de overstekende voetgangers door. Fietsers duiken uit een fietstunnel op en suizen rakelings langs hem heen.

Hij loopt langs de fietsenstalling waar hij vaak een plek zocht en de lantarenpalen waar hij zijn fiets dan maar tegenaan zette. Bij het stoplicht waar de straat een vierbaansweg kruist doet hij de oordopjes van zijn mp3-speler in.

Er ligt veel vuilnis op straat, iets wat hem vroeger nooit zo opviel. In de singel steekt een winkelwagentje half uit het water.
Dan staat hij in zijn oude straat. Het bruine café – dat van de nachtelijke ruzies die hem soms wakker hielden – is er nog steeds. Dat was de prijs die je betaalde om je in de vaart der volkeren te bevinden.

Voor het raam van zijn oude woonkamer hangen gordijnen in plaats van de luxaflex die hij had. Het computerwinkeltje verderop is open. De Computerman begroet hem alsof er geen halfjaar overheen is gegaan, en al snel zit hij met koffie aan de toonbank, terwijl de computerman drie pc’s tegelijk installeert. Zoals ze vroeger deden wanneer meneer Doorzon iets te repareren had, of wilde weten wat er in de buurt gaande was, of gewoon zin had in een praatje.

‘Hoe gaat het hier?’ vraagt meneer Doorzon.
De Computerman tuurt op een scherm en klikt een paar keer met een muis. ‘Ach, z’n gangetje,’ zegt hij.
‘Nog wat gebeurd?’ Grote buurtacties? Sterfgevallen? Huwelijken?
‘Nee, eigenlijk niet.’ De Computerman denkt na. ‘Er is verderop een Coop bij gekomen. Die hebben erg lekkere croissantjes.’

Als zijn beker leeg is staat meneer Doorzon op.
‘Kom gerust nog een keer langs,’ zegt de Computerman.
Op straat kijkt meneer Doorzon naar de drukte om hem heen. De vaart der volkeren doet hem ineens denken aan een schommelstoel die op een versneld filmpje heen en weer stuitert.

Hij loopt nog even de Coop in en koopt een croissantje. Het is inderdaad erg lekker.

vrijdag 13 oktober 2017

Gans

Op zijn dagelijkse wandelingen betrapt meneer Doorzon zich er wel eens op dat hij meer in gedachten verzonken is dan dat hij om zich heen kijkt. Er gaan nogal wat wereldproblemen, onbevredigend verlopen gesprekken, praktische kwesties en existentiële vragen door zijn hoofd voor hij zich realiseert dat er naast de vijver bij de kerk best mooie rozenstruiken staan. En zeg nou zelf, wat kun je bij thuiskomst aan je vrouw vertellen over rozenstruiken? Ze staan er nog. Zijn ze gegroeid? Ik zou het niet weten.

In die vijver is hem een koppeltje witte ganzen opgevallen. Soms blijft hij staan kijken terwijl de twee rondscharrelen, met hun snavels plukken gras afscheuren en ondertussen met hun merkwaardig lichtblauwe ogen meneer Doorzon in de gaten houden.

Voordat meneer Doorzon het weet heeft hij ze een naam gegeven. De kleinste, die kuis afstand houdt en ondanks haar grote flapvoeten en de aangeboren bootvorm van haar lijf een zekere sierlijkheid over zich heeft, noemt hij Gonnie. De grotere, die een fikse doorzakbuik heeft en met de onhandige galantheid van een oude man om zijn eega heen drentelt, wordt Gijsbert.

‘Het is maar goed dat het ganzen zijn,’ zegt Eend als hij haar de foto’s laat zien. ‘Als je zo in de ban van vreemde eendjes was geraakt was ik toch wat jaloers geworden.’

Op een dag ziet meneer Doorzon Gijsbert alleen in de vijver zwemmen. Hij blijft staan, komt na zijn rondje nog eens terug.
‘Ik zie haar nergens,’ zegt hij tegen Eend. ‘En Gijs leek onrustig.’
‘Ze duikt vast wel weer ergens op,’ zegt Eend.

Pas drie dagen later zien ze in het dichtbegroeide talud ineens het kopje van Gonnie omhoog steken.
‘Ach gut,’ zegt Eend. ‘Ze is aan het nestelen.’

Elke dag haast meneer Doorzon zich nu naar de vijver waar Gijsbert waakzaam rond zwemt. Nu hij weet waar hij moet kijken ziet hij ook het nest. Af en toe herschikt Gonnie wat takken waarna ze weer onverstoorbaar voor zich uit kijkt.
‘Hoe lang is het nu al?’ vraagt meneer Doorzon aan Eend.
‘Misschien hebben ze de eieren wel geschud,’ zegt Eend met een treurige blik.
‘Soms hongeren ze zichzelf gewoon uit, las ik,’ zegt meneer Doorzon. ‘Dan moet er iemand ingrijpen.’
Gaat lekker, denkt hij. Ik voel me verantwoordelijk voor een gans die het vertikt om van haar nest af te komen.

Een aantal dagen later is het nest verlaten. Er zijn nergens kuikens te bekennen, maar Gonnie staat rustig op het grasveld te grazen. Ze gakt naar Gijsbert die komt aanzwemmen en haastig zijn dikke lijf de kant op werkt om zich bij haar te voegen, terwijl meneer Doorzon worstelt met het onbestemde geluksgevoel dat hem ineens overvalt.

Knal

Als meneer Doorzon op een van de laatste dagen van het jaar op zijn fiets door de stad rijdt, hoort hij ineens een oorverdovende knal achter...