Een kwartier eerder zag meneer Doorzon hem nog zitten op de
container van de buurvrouw. Die zit lekker te zitten, dacht hij. Hij zei het
ook tegen Eend. Waarschijnlijk was de duif toen al aan het sterven. Door een
ziekte. Of een zware winter. Of een klap tegen het raam. Er zijn zoveel
manieren waarop dieren doodgaan. Soms met rondstuivende veren. Soms in diepe
stilte. En soms trekken de kauwtjes de kop van je romp en pikken in je lijf.
Meneer Doorzon gaat naar buiten en verjaagt de zwartgerokte
rovers. Hij weet ook niet waarom.
Het Buurmeisje komt erop af. Ze lijkt wat onder de indruk,
ze hipt niet zo op en neer als meneer Doorzon van haar gewend is. Misschien is
het ook omdat ze al wat groter wordt.
Ze bekijkt het koploze overblijfsel met kennersblik. ‘Dat
ziet er niet zo goed uit,’ zegt ze.
Meneer Doorzon gaat weer naar binnen. Hij wil de duif aan
Eend laten zien, maar Eend heeft niet zo’n zin om naar buiten te gaan om een
onthoofde duif te bekijken.
‘Kun je hem niet opruimen?’ vraagt ze.
Dat doet meneer Doorzon. Met een schepje in een plastic zak
en die dichtgebonden de container in.
Hij vraagt zich af waarom hij de duif aan Eend wilde laten
zien, als een kleine jongen die voor het eerst geconfronteerd wordt met een van
de Grote Mysteries van het leven.
Die Grote Mysteries zijn voor meneer Doorzon lange tijd
abstracte dingen geweest, waar je ingewikkelde boeken over las. Op een
bovenhuis in de drukte van de grote stad is er zo een half jaar voorbij waarin
je niets merkt van de cyclussen van het leven, de dood, de seizoenen.
Maar als je bestaan een paar jaar overhoop wordt gehaald
verandert dat wel. En nu ze veel buiten in de nieuwe tuin zijn, loopt hij
dagelijks wel tegen een of andere natuurlijke cyclus aan.
De tuin hebben ze afgelopen zomer laten aanleggen. De
meeste van de stenen waarmee het terrein bestraat was zijn verdwenen. Van de
rest is een nieuw terras gemaakt en zijn steenmuurtjes aangelegd die met
sierlijke lijnen de borders omgrenzen.
Eend zit in de schaduw van het schuurtje een boek te lezen.
Overal om haar heen schieten planten waar ze zich afgelopen najaar nog zorgen
over maakten uit de grond. De rozerode knoppen van het appelboompje ontvouwen
zich één voor één tot tere witte bloesem. De bostulpen die ze erbij heeft
geplant spreiden hun bloemblaadjes wellustig wijd open.
Bij de heg danst een vogeltje. Het hangt behendig aan de
lange zwiepende takken en helikoptert af en toe als een kolibrie in de lucht.
Als het een scherp gekwetter laat horen klinkt vanuit het binnenste van de
struik antwoord.
‘Staartmezen,’ zegt Eend, en zij kan het weten.
Samen kijken ze toe terwijl twee minuscule vogeltjes met een
nieuwe generatie bezig zijn.