vrijdag 20 april 2018

Tortel

Op de tegels voor het huis ligt een tortelduif zonder kop.

Een kwartier eerder zag meneer Doorzon hem nog zitten op de container van de buurvrouw. Die zit lekker te zitten, dacht hij. Hij zei het ook tegen Eend. Waarschijnlijk was de duif toen al aan het sterven. Door een ziekte. Of een zware winter. Of een klap tegen het raam. Er zijn zoveel manieren waarop dieren doodgaan. Soms met rondstuivende veren. Soms in diepe stilte. En soms trekken de kauwtjes de kop van je romp en pikken in je lijf.

Meneer Doorzon gaat naar buiten en verjaagt de zwartgerokte rovers. Hij weet ook niet waarom.
Het Buurmeisje komt erop af. Ze lijkt wat onder de indruk, ze hipt niet zo op en neer als meneer Doorzon van haar gewend is. Misschien is het ook omdat ze al wat groter wordt.
Ze bekijkt het koploze overblijfsel met kennersblik. ‘Dat ziet er niet zo goed uit,’ zegt ze.

Meneer Doorzon gaat weer naar binnen. Hij wil de duif aan Eend laten zien, maar Eend heeft niet zo’n zin om naar buiten te gaan om een onthoofde duif te bekijken.
‘Kun je hem niet opruimen?’ vraagt ze.
Dat doet meneer Doorzon. Met een schepje in een plastic zak en die dichtgebonden de container in.
Hij vraagt zich af waarom hij de duif aan Eend wilde laten zien, als een kleine jongen die voor het eerst geconfronteerd wordt met een van de Grote Mysteries van het leven.

Die Grote Mysteries zijn voor meneer Doorzon lange tijd abstracte dingen geweest, waar je ingewikkelde boeken over las. Op een bovenhuis in de drukte van de grote stad is er zo een half jaar voorbij waarin je niets merkt van de cyclussen van het leven, de dood, de seizoenen.
Maar als je bestaan een paar jaar overhoop wordt gehaald verandert dat wel. En nu ze veel buiten in de nieuwe tuin zijn, loopt hij dagelijks wel tegen een of andere natuurlijke cyclus aan.

De tuin hebben ze afgelopen zomer laten aanleggen. De meeste van de stenen waarmee het terrein bestraat was zijn verdwenen. Van de rest is een nieuw terras gemaakt en zijn steenmuurtjes aangelegd die met sierlijke lijnen de borders omgrenzen.
Eend zit in de schaduw van het schuurtje een boek te lezen. Overal om haar heen schieten planten waar ze zich afgelopen najaar nog zorgen over maakten uit de grond. De rozerode knoppen van het appelboompje ontvouwen zich één voor één tot tere witte bloesem. De bostulpen die ze erbij heeft geplant spreiden hun bloemblaadjes wellustig wijd open.

Bij de heg danst een vogeltje. Het hangt behendig aan de lange zwiepende takken en helikoptert af en toe als een kolibrie in de lucht. Als het een scherp gekwetter laat horen klinkt vanuit het binnenste van de struik antwoord.
‘Staartmezen,’ zegt Eend, en zij kan het weten.
Samen kijken ze toe terwijl twee minuscule vogeltjes met een nieuwe generatie bezig zijn.

Knal

Als meneer Doorzon op een van de laatste dagen van het jaar op zijn fiets door de stad rijdt, hoort hij ineens een oorverdovende knal achter...