vrijdag 29 september 2017

Takken

Als Eend naar haar werk is wordt het altijd even stil in huis.
Vanuit zijn nieuwe werkkamer kijkt meneer Doorzon uit op de tuinen van de buren. Hij noemt het zijn werkkamer, maar erg veel werk heeft hij er voor zijn gevoel nog niet verricht.

Officieel heeft het nooit een naam gekregen wat hij heeft. Het begon met gesuis in zijn linkeroor. Of kwam de vermoeidheid eerst? De pijn op zijn borst? Of dat gevoel van duizeligheid?
Daarna werden zijn benen zwaarder tot hij nauwelijks meer kon staan. Hij lag wakker terwijl er elektrische stroom naar zijn tenen leek te lopen. Hij begon zich al af te vragen of er in hun mooie nieuwe huis een traplift paste, en er leken ineens opvallend veel reclamespots voor scootmobielen langs te komen.

Nu gaat het geleidelijk beter. Maar van de revalidatiearts moet hij opletten hoeveel hij zichzelf belast. Dat merkt hij ook. Als hij teveel doet gaat zijn been slapen en zijn hoofd tollen. Als hij te weinig doet ook. Het is lastig om steeds te voelen of je iets moet doen of juist niet.
Dus loopt meneer Doorzon elke dag een rondje door de buurt. Hij zwemt, iedere week een baantje meer. Soms werkt hij wat, met een klokje op dertig minuten. En af en toe zit hij op de bank in zijn werkkamer naar buiten te kijken.

Toen meneer Doorzon jong was hoopte hij naast zijn werk gedichten voor de wereld te schrijven. Hij liep over van ideeën en energie. Maar zijn gedachten kwamen nooit op één punt bij elkaar, en hij had niet genoeg vrije tijd om voor het raam te mijmeren.
Nu heeft hij alle tijd om te kijken. Naar zonnebloemen die over de schutting gluren. Overhemden die aan de waslijn bungelen. De tuinterrassen waartussen gelukkig ook struiken woekeren en knoestige stammen zijn geplant.

Maar als hij mijmert glippen ook de gedachten zijn hoofd weer in. Wat hij nu precies heeft. Of die arts niet toch iets gemist heeft. Of het beter zal worden.
Hij pakt zijn nieuwe opschrijfboekje en schrijft:

kronkeltakken
vinden altijd een weg
door het houten raster achter in de tuin
onder daken
door schuttingen en heggen
door stenen muren
kronkeltakken
vinden altijd een weg

Hij kijkt naar wat hij heeft geschreven. Takken. Hij geeuwt.
In de grote stad zou hij nu de straat op zijn gegaan, op zoek naar heftiger indrukken. Maar ja, dat volle hoofd van hem. En in de grote stad woont hij dus niet meer.

Meneer Doorzon neemt nog een slok van zijn thee. Buiten hangt een buurvrouw het beddengoed uit. Haar mond beweegt, alsof ze zingt.

vrijdag 15 september 2017

Wesp

Wat fijn, denkt meneer Doorzon.

Hij zit in de tuin van het nieuwe huis. Het is meer een betegelde binnenplaats, tussen twee schuttingen en de klimop van de buurvrouw. Maar zo’n buitenruimte waar je zo in kunt stappen maakt hem blij. Weg uit het bovenhuis in de grote stad. Nooit meer met een volle kop koffie wankelend langs een trappetje naar een balkon waar je alleen op muren uitkijkt.

Hij kijkt om zich heen. Eend, zijn vrouw, zit naast hem te lezen. Meneer Doorzon kijkt hoe ze de pagina’s omslaat met haar slanke vingers. Hij vindt haar vingers mooi. Hij vindt alles aan Eend mooi. Behalve misschien haar voeten, maar dat komt niet door de voeten van Eend, maar omdat meneer Doorzon niet zo van voeten in het algemeen houdt.

In een boom in de tuin van de buren zingt een merel. Vlinders vliegen bij de klimop rond. Heerlijk.

Een vinnig gezoem doet hem opschrikken. Een wesp zoemt rond zijn hoofd. Voor hij het weet staat hij naast zijn stoel.

‘Wat ben je aan het dansen,’ zegt Eend.                                  
‘Een wesp,’ zegt meneer Doorzon. Er zit een hikje in zijn stem.
‘Gewoon niet te veel op reageren,’ zegt Eend.
‘Dat zeggen ze altijd,’ zegt meneer Doorzon boos. ‘Je ziet toch hoe dat beest precies op mij afkomt. Ik ruik toch niet naar limonade? Ik heb alleen deodorant op.’

Eend leest rustig door.

‘Ze zoeken je op. Ze gaan altijd precies daar zitten waar je per ongeluk je arm op ze legt.’

Eend slaat nog een bladzijde om.

‘Wespen zijn … boosaardig,’ zegt meneer Doorzon. Vroeger zou hij het woord evil gebruikt hebben, maar vlotte Engelse uitdrukkingen vindt hij ergens niet meer zo bij zichzelf passen.

Hij loopt naar binnen. ‘Waar heeft die vliegenmepper zich verstopt?’
‘In de meterkast,’ roept Eend.

In de meterkast, je houdt het niet voor mogelijk. Met de vliegenmepper in de hand houdt meneer Doorzon de wacht bij het tafeltje. De wesp zoemt rond, landt op de halflege koffiebeker van meneer Doorzon. Meneer Doorzon heft de vliegenmepper en de wesp begint weer rond te cirkelen.

‘Verdorie,’ zegt meneer Doorzon.
Hij wacht tot de wesp weer boven het tafeltje vliegt.

PATS. Mis. PATS. 
Eend weet nog net de koffiebeker vast te grijpen.

De wesp ligt ineengedoken op de tegels. Meneer Doorzon deelt nog een paar klappen uit. Dan tilt hij het karkas met de vliegenmepper op en loopt naar de afvalemmer in de keuken. Hij neuriet zacht, de treurmars van Chopin.

‘Zo,’ zegt Eend als hij weer zit. ‘Heb je je wraak gehad?’
‘Gerechtigheid,’ zegt meneer Doorzon.

Eend grinnikt. Ze weet wel beter.

vrijdag 1 september 2017

Caravans

Aan de caravans moet meneer Doorzon nog wennen.

In juni verschijnen ze overal op straat. Het is nog maar kort geleden dat hij uit de grote stad naar deze wijk verhuisde, en de aanblik van al die witte woondozen is nieuw voor hem.

Hij kijkt door het raam van zijn nieuwe doorzonwoning naar buiten. Aan de overkant hebben de overburen een caravan neergezet die zo klein is dat meneer Doorzon zich nauwelijks kan voorstellen dat er twee mensen in passen. Een paar huizen verder ontdoet een bejaarde buur op een laddertje een wat minder wit exemplaar met een borstel en tuinslang van vuil.


Juni, denkt meneer Doorzon. Wie heeft er nou zomervakantie in juni? Mensen met vrije beroepen. Gepensioneerden. Wonen we in een wijk met ouden van dagen of met zelfstandigen?

Hij voelt een tikje tegen zijn arm. Eend, zijn vrouw is naast hem komen staan. ‘Ben je naar je voorland aan het kijken?’ lacht ze.
Meneer Doorzon knikt, meer om een reactie te geven dan dat hij echt de mogelijkheid overweegt dat hij naar zijn voorland staat te kijken.

Toen meneer Doorzon nog een jonge student was - hij heeft soms het gevoel dat het een eeuw geleden is - waren caravans het sufste dat je je kon voorstellen. Gelachen dat ze hebben om mensen die zo'n sleurhut volpakten met Nederlandse aardappels, Nederlandse sinaasappelsap, Nederlands bier en Nederlands wasmiddel. Die over de Autobahn naar het Sauerland tuften, daar drie weken op een camping met zwembad neerzegen om vervolgens met een lege caravan en een kater (en voetschimmel van het zwembad) weer terug te tuffen. Terwijl de student die meneer Doorzon was een rugzak op zijn schouders hees en met vrienden per trein naar de bergen afreisde. 

‘Ik heb net de overburen gesproken,’ zegt Eend. ‘Ze zijn ontzettend aardig.’
Meneer Doorzon knikt, nu wat overtuigder. Dat de overburen ontzettend aardig zijn heeft hij ook al kunnen vaststellen. Het lijken hem mensen waar je een goed glas mee kunt drinken. Met gespreksstof, een interessante kijk op de wereld. En een caravan.

Misschien is een caravan inderdaad ons voorland, denkt meneer Doorzon. Alleen weten we het nog niet als we jong zijn.

De overbuurman komt naar buiten en steekt een hand op.
‘Laten we ze binnenkort eens uitnodigen,’ zegt meneer Doorzon tegen Eend. Ze zwaaien terug.

Knal

Als meneer Doorzon op een van de laatste dagen van het jaar op zijn fiets door de stad rijdt, hoort hij ineens een oorverdovende knal achter...