vrijdag 16 februari 2018

Gans (2)

De dag na de storm jagen er nog grauwe wolken langs de hemel, maar de wind is gaan liggen en meneer Doorzon waagt zich weer aan een wandeling.

De grond ligt bezaaid met takken en in een parkje is een boom met wortel en al uit de grond getrokken. Maar verder staat alles nog overeind, constateert meneer Doorzon opgelucht. Hij is gehecht geraakt aan het groen. Verslaafd is misschien een beter woord.
Alleen om de oude populieren achter de kerk loopt hij met een boog heen. Die laten nog wel eens takken vallen.

Dan hoort hij een lawaai bij de vijver.
Het is het vrouwtje van het ganzenkoppel dat meneer Doorzon ooit Gonnie en Gijsbert doopte. Hij heeft vaak staan kijken terwijl ze achter elkaar door de vijver peddelden.
Nu is ze alleen. Ze loopt gakkend langs de oever.
Een paar eenden dobberen stoïcijns in het water maar Gijsbert is nergens te vinden. Als meneer Doorzon aan het eind van zijn ronde weer bij de vijver komt loopt Gonnie daar nog steeds alleen.

Met een bedrukt gemoed gaat hij naar huis.
‘Vorige keer kwam het toch ook goed?’ zegt Eend. ‘Misschien heeft hij last van zijn trekinstinct gekregen.’ Aan haar gezicht ziet hij dat ze er zelf niet helemaal in gelooft.

Op de derde dag loopt Gonnie nog steeds langs de vijver heen en weer. Ze gakt schor en onophoudelijk.

Bij een van de huisjes langs het water staat een man op het balkon. Hij woont daar alleen en staat vaak naar de vogels te kijken. Een keer wees hij op een ijsvogel en meneer Doorzon zag nog net de blauwe flits over het water wegschieten.
‘Hij is dood,’ zegt de Vogelkijker.
‘Wie?’ vraagt meneer Doorzon met een angstig gevoel in zijn maag.
‘Haar man,’ zegt de Vogelkijker. ‘Verdronken. Ik vond hem na de storm, daar bij die duiker.’
Even zwijgen ze en kijken naar Gonnie die om haar Gijs loopt te schreeuwen.
‘Ik had al zo’n voorgevoel,’ zegt de Vogelkijker. ‘Als ik eerder was gaan kijken had ik hem nog kunnen redden.’

Dagenlang dwaalt Gonnie langs de oever. Van grote afstand kan meneer Doorzon haar horen. Dan op een ochtend is het ineens stil.
De Vogelkijker staat op zijn balkon en wijst. Daar loopt Gonnie, aan de zijde van een grote ganzerik. Even denkt meneer Doorzon dat het Gijs is. Dan ziet hij dat deze gans een ring om zijn poot heeft. De details die je opvallen, denkt hij.
‘Ze hebben hem uit Nijmegen hierheen gebracht,’ zegt de Vogelkijker. ‘Hij was weduwnaar. En dat terwijl ze normaal heel monogaam zijn.’ Hij kijkt even over zijn schouder naar binnen.

Als meneer Doorzon dichterbij komt posteert de nieuwe gans zich tussen Gonnie en de indringer en gooit blazend zijn kop in zijn nek.
Govert, denkt meneer Doorzon. Zo moet deze gans heten. Kortweg Goof. 
Hij voelt ineens de behoefte om naar huis te gaan en zijn eigen Eend te beschermen, al weet hij nog niet precies waartegen.

vrijdag 2 februari 2018

Wortels

Het stormt. Al de hele dag gutst de regen langs de ramen. Meneer Doorzon kijkt fronsend naar de plassen op de tuinbestrating.
Het schuurtje zal wel weer onderlopen.

Waar het aan ligt weet hij niet. Eerst leek het dat het water vanuit de tuin over de drempel liep. Maar een zandzak had als enige effect dat de onderkant van de deur begon te rotten.
Toen vermoedde hij dat het door de muur sijpelde, wat beter wordt als ze straks de bestrating uit de tuin weghalen. Maar misschien komt het uit de grond. Dan moet de vloer worden opgehoogd. Of van het achterpad dat bij dit weer in een beek verandert. Dan doe je er niet veel tegen.

Voor het eerst huiseigenaar zijn, het geeft meneer Doorzon een gevoel van geworteld zijn dat hij nooit eerder heeft gekend. Maar af en toe staan zijn wortels wel wat diep in het water.
Nu met de storm kijkt hij ook ieder uur even in de kelder. Waar hij al veel tijd heeft doorgebracht.

Hij weet het nog goed, ze hadden de sleutels net. Hij deed de kelderdeur open en zag een vijver. Daar helpt een bouwkundige keuring dus niet tegen, dacht hij grimmig.
Tussen het schilderwerk door hoosde hij de kelder leeg.
Toen hij na de volgende stortbui in de kelder kwam stond die weer onder water.
Hij hoosde en keek om zich heen waar het water vandaan kwam. De vraag waar water in je kelder vandaan komt krijgt een extra dimensie als je er met een dweil in rondkruipt, ontdekte hij.
Na de volgende bui durfde hij een tijdlang niet te kijken.

Uiteindelijk vond een professionele rioolman de verstopping. Het waren wortels. Die van de kastanjeboom om precies te zijn.
‘Water en voer, die boom weet wel waar-ie het moet halen,’ zei de Rioolman. Het was een blozende man met een boers accent, en meneer Doorzon moest twee keer vragen wat hij nou zei. Ondertussen werd het gat in de voortuin weer dichtgegooid door een manneke met klompen, pet en blauwe overall. Het zoontje van de Rioolman.
Kameleon Ahoy, dacht meneer Doorzon, vertederd ondanks alles.
Sindsdien heeft de kelder niet meer onder gestaan, maar meneer Doorzon vindt nog regelmatig kleine plassen waarvan ook de Rioolman de oorsprong niet met zekerheid kan achterhalen.

Met elke nieuwe windvlaag slaat de regen tegen het raam. ‘Hoezo geen klimaatverandering,’ bromt meneer Doorzon. Zijn laatste inspectie heeft een kleine vochtplek op de keldervloer onthuld.
Eend zegt niks maar kruipt bij een donderslag wat dichter tegen hem aan.
‘Toch is het een fijn huis,’ zegt meneer Doorzon.
‘Hoezo toch?’ zegt Eend. ‘Het is een heerlijk huis. Heb je spijt?’

Meneer Doorzon kijkt om zich heen. De huiskamer is warm en gezellig. Ze hebben meer ruimte dan ze ooit hadden kunnen dromen. En in het voorjaar gaan ze een echte tuin aanleggen. Nee, spijt heeft hij nooit gehad, hoewel hij daar toch een goed ontwikkeld talent voor heeft.
‘Je hebt gelijk,’ zegt hij. ‘Het is een heerlijk huis.’

Knal

Als meneer Doorzon op een van de laatste dagen van het jaar op zijn fiets door de stad rijdt, hoort hij ineens een oorverdovende knal achter...