Op zijn dagelijkse wandelingen betrapt meneer Doorzon zich
er wel eens op dat hij meer in gedachten verzonken is dan dat hij om zich heen
kijkt. Er gaan nogal wat wereldproblemen, onbevredigend verlopen gesprekken,
praktische kwesties en existentiële vragen door zijn hoofd voor hij zich
realiseert dat er naast de vijver bij de kerk best mooie rozenstruiken staan. En
zeg nou zelf, wat kun je bij thuiskomst aan je vrouw vertellen over
rozenstruiken? Ze staan er nog. Zijn ze gegroeid? Ik zou het niet weten.
In die vijver is hem een koppeltje witte ganzen opgevallen. Soms
blijft hij staan kijken terwijl de twee rondscharrelen, met hun snavels plukken
gras afscheuren en ondertussen met hun merkwaardig lichtblauwe ogen meneer
Doorzon in de gaten houden.
Voordat meneer Doorzon het weet heeft hij ze een naam
gegeven. De kleinste, die kuis afstand houdt en ondanks haar grote flapvoeten
en de aangeboren bootvorm van haar lijf een zekere sierlijkheid over zich heeft,
noemt hij Gonnie. De grotere, die een fikse doorzakbuik heeft en met de
onhandige galantheid van een oude man om zijn eega heen drentelt, wordt Gijsbert.
‘Het is maar goed dat het ganzen zijn,’ zegt Eend als hij
haar de foto’s laat zien. ‘Als je zo in de ban van vreemde eendjes was geraakt
was ik toch wat jaloers geworden.’
Op een dag ziet meneer Doorzon Gijsbert alleen in de vijver
zwemmen. Hij blijft staan, komt na zijn rondje nog eens terug.
‘Ik zie haar nergens,’ zegt hij tegen Eend. ‘En Gijs leek
onrustig.’
‘Ze duikt vast wel weer ergens op,’ zegt Eend.
Pas drie dagen later zien ze in het dichtbegroeide talud
ineens het kopje van Gonnie omhoog steken.
‘Ach gut,’ zegt Eend. ‘Ze is aan het nestelen.’
Elke dag haast meneer Doorzon zich nu naar de vijver waar
Gijsbert waakzaam rond zwemt. Nu hij weet waar hij moet kijken ziet hij ook het
nest. Af en toe herschikt Gonnie wat takken waarna ze weer onverstoorbaar voor
zich uit kijkt.
‘Hoe lang is het nu al?’ vraagt meneer Doorzon aan Eend.
‘Misschien hebben ze de eieren wel geschud,’ zegt Eend met
een treurige blik.
‘Soms hongeren ze zichzelf gewoon uit, las ik,’ zegt meneer
Doorzon. ‘Dan moet er iemand ingrijpen.’
Gaat lekker, denkt hij. Ik voel me verantwoordelijk voor een
gans die het vertikt om van haar nest af te komen.
Een aantal dagen later is het nest verlaten. Er zijn nergens
kuikens te bekennen, maar Gonnie staat rustig op het grasveld te grazen. Ze gakt naar
Gijsbert die komt aanzwemmen en haastig zijn dikke lijf de kant op werkt om
zich bij haar te voegen, terwijl meneer Doorzon worstelt met het onbestemde
geluksgevoel dat hem ineens overvalt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten